LeukemieenAcute Lymfatische leukemie (ALL) Wat is acute lymfatische leukemie (ALL)?
Leukemie is kanker van bloedcellen. Bloedcellen (en dus ook leukemiecellen) worden in het beenmerg gemaakt wat in alle botten van het lichaam zit. Normaal gesproken ontstaan de bloedcellen eerst als onrijpe cellen en rijpen ze vervolgens uit in het beenmerg waarna ze losgelaten worden in het bloed. Via het bloed kunnen de cellen vervolgens door het hele lichaam vervoerd worden om hun functies uit te voeren. Er bestaan verschillende soorten normale bloedcellen.
- Rode bloedcellen (erythrocyten): deze cellen nemen vanuit de longen zuurstof op en transporteren dit naar alle organen in het hele lichaam. De zuurstof wordt gebonden aan een bepaald eiwit, het zogenaamde haemoglobine afgekort als Hb. Een tekort aan rode bloedcellen of een laag Hb wordt bloedarmoede of anemie genoemd. De bijbehorende klachten zijn bleekzien en moeheid.
- Witte bloedcellen (leukocyten): deze cellen verzorgen de afweer van ons lichaam tegen infecties door bijvoorbeeld bacteriën en virussen. Leukos betekent wit. Omdat bloedkanker voor het eerst ontdekt werd in de witte bloedcellen (en omdat bloedkanker het meest voorkomt in de witte bloedcellen) wordt bloedkanker ook leukemie genoemd. Er bestaan verschillende soorten normale witte bloedcellen:
Lymfocyten: deze witte cellen komen in het bloed maar ook in de lymfklieren en milt voor. Van de lymfocyten bestaan weer T-lymfocyten en B-lymfocyten die belangrijk zijn voor het maken van antistoffen tegen ziekteverwekkers. De meest voorkomende vorm van leukemie bij kinderen ontstaat in deze cellen en heet derhalve ook lymfatische leukemie.
Granulocyten: deze witte bloedcellen spelen ook een belangrijke rol bij de afweer, met name voor het opeten van o.a. bacteriën.
Monocyten: deze grote witte bloedcellen spelen ook een belangrijke rol bij de afweer, m.n. voor het opeten van bacteri ën en virussen.
Te weinig witte bloedcellen leiden tot een verminderde afweer tegen infecties en dus vaak tot het krijgen van infecties met koorts. - Bloedplaatjes (trombocyten): deze zijn belangrijk voor de bloedstolling. Te weinig trombocyten leiden dus tot bloedingen. Dit uit zich in bijvoorbeeld bloedneuzen of spontane of ongewoon grote blauwe plekken op plaatsen waar deze normaal gesproken zelden ontstaan of zeer kleine zgn. puntbloedingen in de huid of het slijmvlies van de mond.
Per dag worden miljarden bloedcellen aangemaakt doordat onrijpe cellen in het beenmerg, de zogenaamde blasten, zich delen. Ook gaan er per dag gemiddeld evenveel cellen dood zodat het aantal bloedcellen ongeveer constant blijft. Dit proces van aanmaak en afbraak van bloedcellen wordt in het lichaam nauwkeurig gecontroleerd. Indien nu een bepaalde cel in het beenmerg op hol slaat en ongecontroleerd gaat delen ontstaan er veel te veel cellen van hetzelfde soort. Deze ongecontroleerde woekering van bloedcellen van hetzelfde onrijpe soort heet leukemie. Dit kan plaatsvinden in iedere soort bloedcel die hierboven beschreven staat. Meest voorkomend echter is lymfatische leukemie, kanker in de onrijpe voorlopers van de lymfatische cellen, de lymfocyten. Aangezien dit ziektebeeld zich relatief snel, acuut ontwikkeld wordt gesproken van acute lymfatische leukemie, afgekort als ALL.
Wat voor klachten horen bij ALL?
Bij ALL worden in het beenmerg enorm veel leukemiecellen aangemaakt waardoor er te weinig ruimte is voor de aanmaak van de gezonde bloedcellen. Dit leidt tot een tekort aan rode cellen in het bloed (bloedarmoede) met moeheid, algemene malaise en bleek zien als gevolg. Te weinig gezonde witte cellen in het bloed leidt tot infecties en koorts. Te weinig bloedplaatjes leidt tot grote blauwe plekken of bloeduitstortingen op ongebruikelijke plaatsen of tot puntbloedingen in de huid en de mond. Uiteraard is het zo dat de aanwezigheid van slechts een van de verschijnselen niet past bij leukemie. Echter, bij de combinatie van verschijnselen die passen bij de 3 verschillende soorten bloedcellen wordt gedacht aan de mogelijkheid dat er iets mis is op de plaats waar deze bloedcellen gemaakt worden, het beenmerg. Bij leukemie is er ook vaak sprake van botpijn door de druk die de grote hoeveelheid leukemiecellen vanuit het beenmerg op het bot uitoefent. Ook kan bij leukemie sprake zijn van opgezette lymfeklieren en een vergrote lever en milt doordat de leukemiecellen in deze organen kunnen zitten.
Hoe vaak komt ALL voor?
ALL is de meest voorkomende vorm van kanker bij kinderen. Per jaar wordt ALL bij ongeveer 120 kinderen in Nederland vastgesteld. ALL komt op alle leeftijden voor op de kinderleeftijd van 0 tot 18 jaar, met een piek op de kleuterleeftijd, maar het komt ook voor bij volwassenen. Bij volwassenen komen echter vaker andere vormen van leukemie voor, zoals acute niet-lymfatische leukemie en chronische leukemie. Deze vormen zijn bij kinderen zeer zeldzaam.
Waardoor wordt ALL veroorzaakt?
De oorzaken van ALL zijn niet bekend hoewel er "in de volksmond" verschillende (onjuiste) idee
ën bestaan over hoe leukemie of kanker in het algemeen bij kinderen ontstaat. Deze idee
ën zijn helaas vaak gebaseerd op onjuiste interpretaties en zorgen vaak voor grote onrust en ook onterechte schuldgevoelens bij ouders en familieleden. Het is belangrijk om te stellen dat veel wetenschappelijk onderzoek nog niet heeft geleid tot het vinden van de oorzaken van leukemie. Het is belangrijk om op basis van uitgevoerd onderzoek een aantal dingen vast te stellen:
- Er zijn geen zaken bekend die de ziekte veroorzaakt kunnen hebben en die dus door ouders of kind voorkomen hadden kunnen worden.
- Leukemie is niet besmettelijk en kan niet zoals een virus van de ene persoon op de andere overgaan.
- Leukemie is niet erfelijk, met uitzondering van hele zeldzame op zich zelf staande gevallen. Andere familieleden van een kind met leukemie hebben in het algemeen dus een niet of nauwelijks verhoogde kans om leukemie te krijgen.
- Een aantal zaken wordt in de “volksmond” vaak in verband gebracht met het ontstaan van leukemie. Hiertoe behoren bijvoorbeeld roken van ouders, drugsgebruik, het wonen op gifgrond, het eten van voedselproducten waar toevoegingen in zitten. Van geen van deze zaken is aangetoond dat dit de kans op het krijgen van leukemie bij een kind verhoogt.
Alles wat er in een cel gebeurt staat onder controle van de chromosomen in die cel. Dit geldt zeker ook voor de celdeling, het uitrijpen van cellen en het uiteindelijk doodgaan van cellen. Bij leukemie is er sprake van ongecontroleerde celdeling in onrijpe bloedcellen doordat er sprake is van afwijkingen in de chromosomen van de leukemiecellen. Deze afwijkingen zitten op stukjes van chromosomen (genen), die normaal gesproken de celdeling, uitrijping en doodgaan van cellen regelen. De oorzaak van leukemie heeft dus te maken met deze afwijking in de chromosomen. Deze chromosoomafwijkingen komen uitsluitend in de kankercellen voor en hebben dus niets met erfelijkheid te maken. Alle andere cellen in het lichaam van het kind hebben normale chromosomen. Waarom deze chromosoomafwijkingen (en dus leukemie) ontstaan is zoals boven gesteld helaas niet bekend.
Hoe wordt de diagnose ALL gesteld?
Bij de verdenking op leukemie zal eerst bloedonderzoek gedaan worden om het aantal bloedcellen van de verschillende soorten te bepalen en om te bepalen hoe de bloedcellen er uit zien onder de microscoop. Daarna wordt een beenmergprik (beenmergpunctie) verricht om vast te stellen of er leukemie is en zo ja, van welk type leukemie sprake is. Om de uitbreiding van de ziekte te beoordelen wordt een ruggenprik (lumbaalpunctie) verricht om te onderzoeken of er leukemiecellen aanwezig zijn in het hersenvocht (liquor). Tevens wordt er een longfoto gemaakt om te kijken of er sprake is van lymfekliervergroting tussen de longen en wordt er soms een echo van de buik gemaakt ter beoordeling van orgaanvergroting in de buik.
Beenmerg, bloed en liquor wordt op verschillende laboratoria geanalyseerd om het precieze type leukemie vast te stellen. Dit is van belang voor het vaststellen van de juiste behandeling. Er bestaan verschillende types ALL. In de eerste plaats wordt dit bepaald door het soort bloedcel waarin de leukemie ontstaat, de T-cel of de B-cel. Gesproken wordt dan van T-cel ALL of B-cel ALL. Binnen de B-cel ALL is het type leukemie afhankelijk van hoe onrijp of uitgerijpt de cel is waarin de leukemie ontstaan is. Meest onrijp is de zgn pro-B ALL, daarna komt de meest voorkomende common-ALL, daarna de pre-B ALL en uiteindelijk de rijpe B-cel ALL. Ook wordt chromosomenonderzoek van de leukemiecellen gedaan om het type leukemie vast te stellen.
Behandeling van ALL
Voor ieder kind met ALL is behandeling mogelijk. De behandeling bestaat uit chemotherapie met verschillende medicijnen gericht tegen de leukemiecellen. Welke medicijnen precies gebruikt worden, hoe lang en hoe zwaar de chemotherapie is, hangt af van het type leukemie. De medicijnen worden deels toegediend via een infuus maar ook voor een groot deel als tabletten, drank of capsules. De chemotherapie duurt in totaal meestal 2 jaar. In de eerste maanden is de therapie het meest intensief. Het grootste deel van de chemotherapie wordt echter thuis gegeven waarbij kinderen regelmatig op de polikliniek of dagbehandeling moeten komen. Soms is naast chemotherapie ook een beenmergtransplantatie nodig en zeer zelden bestraling. In Nederland worden sinds 1972 alle kinderen met ALL behandeld volgens protocollen van de SKION. Een protocol bevat richtlijnen voor onderzoek en de wijze van behandeling. Momenteel wordt er behandeld volgens het ALL10 protocol.
Kansen op genezing
De laatste 40 jaar is de genezingskans voor kinderen met ALL enorm toegenomen. In 1960 genas minder dan 5% van de kinderen, tegenwoordig geneest ongeveer 80% van alle kinderen met ALL. De precieze genezingskans voor ieder individueel kind is echter moeilijk aan te geven omdat deze afhangt van veel verschillende factoren. Factoren die invloed hebben op de kans op genezing zijn onder andere de volgende: de leeftijd, het geslacht, het aantal leukemiecellen bij diagnose, de eventuele uitbreiding van de leukemie naar het zenuwstelsel of de zaadballen, het type leukemie en het soort chromosoomafwijking in de leukemiecellen. Zeer belangrijk is ook de eerste reactie van de leukemie op de chemotherapie. Op basis van een combinatie van enkele van deze factoren wordt bepaald of een kind een relatief goede of minder goede kans op genezing heeft. Daar wordt dan weer de zwaarte van de behandeling op afgestemd. Zo bestaan er bijvoorbeeld aparte behandelprotocollen voor zuigelingen met ALL (Interfant '06 protocol) en ook voor kinderen met een bepaald soort chromosoomafwijking (EsphALL protocol voor het zogenaamde Philadelphia chromosoom) in de leukemiecellen.
Bijwerkingen
Chemotherapie is zeer effectief in het vernietigen van leukemiecellen, maar kan ook gepaard gaan met bijwerkingen. Omdat de behandeling van een kind met ALL afgestemd is op de genezingskans krijgt niet ieder kind dezelfde chemotherapie. De mogelijke bijwerkingen kunnen dus per kind ook verschillen.
Bij de diagnose zijn er relatief veel leukemiecellen aanwezig. Door de chemotherapie zullen in de eerste dagen dus veel leukemiecellen afgebroken worden. De afvalstoffen hiervan worden door de nieren verwerkt. Om te voorkomen dat de nieren hierdoor beschadigd raken, wordt ondersteunende behandeling gegeven met bepaalde medicijnen en is het belangrijk dat een kind voldoende vocht binnenkrijgt, eventueel via een infuus.
Beenmerg- en ruggenprikken
Tijdens de behandeling en gedurende een aantal jaren na de bee
ïndiging ervan wordt regelmatig beenmerg en hersenvocht voor onderzoek afgenomen. Na de eerste kuur zijn de leukemiecellen niet meer zichtbaar in het lichaam. Vervolgens wordt gecontroleerd of de leukemie cellen niet terugkeren in het beenmerg of het hersenvocht. Als de ziekte terugkomt (recidief ALL), dan zal op een andere, meestal zwaardere behandeling worden overgegaan.
Acute Myeloïde Leukemie(AML)
Wat is AML?
Leukemie is een kwaadaardige ziekte van het beenmerg. In het beenmerg bevinden zich de zogenaamde stamcellen. Dit zijn jonge bloedvormende cellen, waaruit via een aantal rijpingsstappen gezonde bloedcellen worden gevormd. Bij gezonde personen ontstaan er op die manier 3 soorten uitgerijpte cellen die we in het bloed terug vinden, de rode bloedcellen (erythrocyten), de witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes (thrombocyten). Van de witte bloedcellen bestaan er verschillende soorten met een eigen functie.
Bij AML pati
ënten treedt meestal in het beenmerg in de uitrijping van
één van de soorten witte bloedcellen, de myelo
ïde cellen, een stop op. Hierdoor ontstaat een overmaat van die onrijpe witte bloedcellen, die we leukemische cellen, of myelo
ïde blasten noemen. Het worden er zoveel dat ze zelfs in het bloed terecht komen. Deze onrijpe cellen worden uiteraard bij gezonde mensen niet in het bloed aangetroffen.
Het woord
“acute” betekent dat er in een snel tempo een grote hoeveelheid leukemische cellen worden gevormd.
Wat voor klachten horen erbij?
De abnormaal grote hoeveelheid leukemiecellen in het beenmerg bij AML verdringt de aanmaak van de andere cellen zodat er een tekort aan bloedplaatjes en/of rode bloedcellen in het bloed kan ontstaan. De klachten worden meestal veroorzaakt door het tekort aan normale bloedcellen in het bloed. Rode bloedcellen (erythrocyten) bevatten een ijzerrijk eiwit hemoglobine hetgeen zuurstof naar alle weefsels transporteert. Een tekort aan erythrocyten noemen we bloedarmoede of anaemie. Als een pati
ënt last heeft van bloedarmoede geeft dit aanleiding tot moeheid en kan hij/zij duizelig en kortademig worden, en/of hoofdpijn krijgen.
Witte bloedcellen (leukocyten) zijn belangrijk voor de afweer tegen infecties en ondersteunen de wondgenezing. Bij een tekort aan gezonde witte bloedcellen zal de kans op infecties dus toenemen en de wondgenezing trager verlopen.
Bloedplaatjes (thrombocyten) zijn kleine cellen in het bloed die een belangrijke rol spelen in de bloedstelping. Als er onvoldoende thrombocyten zijn zal de kans op blauwe plekken, en bloedingen van bv. slijmvliezen, zoals neusbloedingen toenemen.
Algemene klachten zijn botpijnen, koorts, algemeen ziek zijn en buikpijn. De buikpijn klachten worden mede veroorzaakt door een poging van het lichaam om de niet-optimale bloed aanmaak in het beenmerg te compenseren door aanmaak van bloedcellen in de lever en milt. Deze organen, die zich boven in de buik bevinden, zullen daardoor groter worden en pijn veroorzaken door druk op het kapsel wat om deze organen heen zit. Soms worden er ook plekjes in de huid gevonden die leukemie cellen bevatten.
Hoe vaak komt het voor?
AML op de kinderleeftijd is een zeldzame ziekte. Per jaar wordt bij 20-25 kinderen in Nederland de diagnose AML gesteld
Waardoor wordt AML veroorzaakt?
Voor de ziekte AML is geen oorzaak bekend.
Hoe stellen we de diagnose?
Het belangrijkste onderzoek voor een pati
ënt die verdacht wordt van de diagnose AML bestaat uit beenmerg- en bloedonderzoek. Van bloed- en beenmerg worden druppels uitgestreken op microscoopglaasjes.
In de beenmerg en bloed uitstrijken wordt onder de microscoop gekeken naar de aard en grootte van de cellen. Tevens wordt geteld hoeveel leukemische cellen er in de uitstrijkjes aanwezig zijn. Met zgn. immunologisch onderzoek wordt nader bekeken in welk stadium de uitrijpingsblokkade plaatsvindt en om het type AML vast te stellen. Een belangrijk deel van het onderzoek bestaat uit het onderzoek naar chromosomale afwijkingen in de leukemie cellen.
Is er een behandeling voor AML?
De behandeling van AML bestaat uit chemotherapie. Deze celdelingremmende medicijnen of chemotherapie worden voornamelijk via het infuus toegediend. Daarnaast krijgt de pati
ënt een enkele maal chemotherapie via een ruggenprik in het hersenvocht toegediend om er voor te zorgen dat de leukemie cellen daar niet terechtkomen. Slechts in sommige gevallen is een beenmerg transplantatie nodig. Bijvoorbeeld wanneer er bepaalde chromosomale afwijkingen zijn die duiden op een extra agressieve vorm van AML. Indien beenmergtransplantatie nodig is zal deze altijd worden uitgevoerd met beenmerg van iemand anders, bij voorkeur van een broer of zus.
De centrale diagnostiek, follow-up en registratie van kinderen met AML in Nederland vindt in principe plaats volgens de behandeling van SKION (Stichting Kinderoncologie Nederland). Veelal wordt daarbij samengewerkt met buitenlandse groepen. Met de huidige behandeling genezen 60-65% van de kinderen met AML.
Zijn er bijwerkingen en welke factoren hebben invloed op het succes van de behandeling?
Chemotherapie bestaat uit medicijnen die ingrijpen op de celdeling van de kwaadaardige cellen. In het lichaam komen ook gezonde cellen voor die snel delen, zoals slijmvliescellen in het maagdarm kanaal, de haarvormende cellen en de bloedcelvormende cellen in het beenmerg. Chemotherapie heeft daarom ook effect op deze cellen. Dit leidt tot nogal wat bijwerkingen, zoals voedingsproblemen, haarverlies en verminderde aanmaak van bloedcellen. De haargroei keert terug nadat de behandeling is afgerond. De verminderde aanmaak van bloedcellen kan leiden tot bloedarmoede, een verhoogde bloedingsneiging (bv. blauwe plekken en bloedneuzen) en een verminderde afweer tegen infecties. Een belangrijk onderdeel van de behandeling is het voork
ómen en behandelen van infecties, het geven van bloedtransfusies, controle en op peil houden van gewicht en voedingstoestand. Hiervoor is het regelmatig nodig om sondevoeding te geven of voeding via het infuus. Voor de toediening van de medicatie wordt gebruik gemaakt van een zgn. port-a-cath. De specifieke bijwerkingen van de verschillende chemotherapeutica staan elders beschreven. In het algemeen is de ervaring dat kinderen met AML door de medicijnen buikpijn en diarree krijgen, erg gevoelig zijn voor infecties, en moeilijk op gewicht blijven. Om die reden blijven de meeste pati
ënten gedurende de eerste weken in het ziekenhuis.
Myelo-Dysplastisch Syndroom (MDS)
Wat is het myelodysplastisch syndroom?
De letterlijke vertaling van myelodysplastisch syndroom is als volgt. Myelo = beenmerg, dys = abnormaal, plasie = vorming, syndroom = symptomencomplex MDS, ookwel myelodysplasie genoemd, is een kwaadaardige ziekte van het beenmerg. In het beenmerg bevinden zich de zgn. pluripotente stamcellen, dit zijn jonge bloedvormende stamcellen waarvan uit via een aantal rijpingsstappen gezonde bloedcellen worden gevormd. Als een cel onrijp is kan hij nog alle kanten op gaan, naarmate de cel rijper wordt, gaan ze een bepaalde richting uit, ze worden rode of witte bloedcellen of bloedplaatjes. Alle cellen uit
zo’n rijpingsproces hebben verschillende benamingen. Het is een soort stamboom met daarin de verschillende soorten cellen en hun vervolg. Sommige van deze onrijpe cellen noemen we blasten. Bij gezonde personen ontstaan er op die manier 3 soorten uitgerijpte cellen die we in het bloed terug vinden, de rode bloedcellen (erythrocyten), de witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes (thrombocyten).
In MDS pati
ënten rijpen de cellen in het beenmerg niet of onvoldoende uit. De slechte kwaliteit van de bij MDS geproduceerde bloedcellen veroorzaakt dat een belangrijk deel van deze cellen al wordt vernietigd voordat zij het beenmerg verlaten. Het gevolg hiervan is dat er een tekort aan bloedplaatjes en/of witte bloedcellen en/of rode bloedcellen kan ontstaan. Als er een tekort aan alle drie de bloedcellen ontstaat, wordt dit een pancytopenie genoemd.
Als bij MDS een toename optreedt van het percentage blasten van hetzelfde soort, komen we in een overgangssituatie naar de ziekte acute myelo
ïde leukemie (AML). Voor informatie over acute myeloïde leukemie verwijzen we naar het betreffende hoofdstuk op de website. Het verschil van deze uit MDS ontstane AML (MDS-AML) en andere vormen van AML is echter wel dat de MDS-AML veel minder goed te behandelen is.
Er bestaan verschillende vormen van MDS. De diagnostische hoofdgroepen volgens de laatste naamgeving van MDS bij kinderen is als volgt:
(H.Hasle, Leukemia, 2002)
I Myelodysplastisch syndroom / myeloproliferatieve ziekte
- Juveniele myelomonocytaire leukemie (JMML)
- Chronische myelomonocytaire leukemie (CMML, slechts na andere ziekten)
- Chronische myeloïde leukemie zonder cytogenetische afwijking (Philadelphia chromosoom)
II Down syndroom (DS) ziekte
- Voorbijgaande abnormale aanmaak van beenmerg cellen (in het engels transient abnormal myelopoiesis (TAM))
- Myeloïde leukemie bij Down syndroom
III Myelodysplastisch syndroom
- Niet verbeterende (refractaire) cytopenie (RC)(met in het bloed <2% blasten en in het BM < 5% blasten). (Refractair = niet verbeterend na gebruikelijke therapie zoals ijzer tabletjes of foliumzuur)
- Refractaire anaemie met verhoging van blasten percentage(RAEB)( met in het bloed <2-19% blasten en in het BM 5-19% blasten)
- RAEB in transformatie (RAEB-t)(PB of BM blasten 20-29%). Dit wil zeggen dat de blasten percentages zo hoog zijn dat de overgang naar acute myeloïde leukemie heel klein is.
JMMLHet ziektebeeld JMML is een apart ziekte beeld binnen de ziekte MDS. Het komt vooral voor bij jonge kinderen. Het wordt gekenmerkt door een grote lever en milt, lymfeklierzwellingen, en huidafwijkingen, Daarnaast is er meestal een zeer laag bloedplaatjes getal en is in de uitstrijk van het bloed een opvallend hoog monocyten getal (een vorm van witte bloedcellen) zichtbaar. Er bestaat een opvallende correlatie tussen JMML en de ziekte neurofibromatose type I. De therapie bestaat uit beenmerg transplantatie. Bij een evt. te hoog oplopen van het aantal witte bloedcellen in het perifere bloed kan een behandeling met chemotherapie worden overwogen ter overbrugging. Indien veel bloedingsverschijnselen de fase voorafgaand aan de transplantatie compliceren kan overwogen worden de milt te verwijderen
Wat voor klachten horen erbij?
De klachten worden meestal veroorzaakt door het tekort aan normale bloedcellen in het perifere bloed.
Rode bloedcellen (erythrocyten) bevat een ijzerrijk eiwit hemoglobine hetgeen zuurstof naar het weefsel transporteert. Een tekort aan erythrocyten noemen we bloedarmoede of anemie. Als een pati
ënt last heeft van bloedarmoede geeft dit aanleiding tot moeheid en kan hij/zij duizelig en kortademig worden, en/of hoofdpijn krijgen.
Witte bloedcellen (leukocyten) zijn belangrijk voor de afweer tegen infecties en ondersteunen de wondgenezing. Als belangrijk onderdeel van het immunologisch afweersysteem in het lichaam helpen zij infecties te voorkomen en ze op te ruimen. Bij een tekort aan of inadequaat werkende witte bloedcellen zal de kans op infecties dus toenemen en de wondgenezing trager verlopen.
Bloedplaatjes (thrombocyten) zijn kleine cellen in het bloed die een belangrijke rol spelen in de bloedstolling. Als deze thrombocyten onvoldoende in aantal aanwezig zijn zal de kans op blauwe plekken, en bloedingen van bv slijmvliezen, zoals neusbloedingen toenemen.
Algemene klachten zijn botpijnen, koorts, algemeen ziekzijn en buikpijn. De buikpijn klachten worden mede veroorzaakt door een poging van het lichaam om de niet-optimale bloed aanmaak in het beenmerg compenseren door aanmaak van bloedcellen in de lever en milt. Deze organen, die zich boven in de buik bevinden, zullen daardoor groter worden en pijn veroorzaken door druk op het kapsel wat om deze organen heen zit.
Hoe vaak komt het voor?
MDS op de kinderleeftijd is een zeldzame ziekte, het komt voor bij 0.5-1 per 1 miljoen kinderen per jaar. Dit betekent dat er bij 2-4 kinderen in Nederland per jaar de diagnose MDS wordt gesteld.
Waardoor wordt MDS veroorzaakt?
MDS is vooral beschreven bij oudere volwassenen, maar de laatste jaren weten we dat het ook bij kinderen voorkomt. Bij volwassenen is beschreven, dat er een relatie is met langdurige blootstelling aan bepaalde giftige stoffen zoals bv. benzeen, en (hepatitis-) virussen. Ook na voorheen toegediende cytostatica en bestraling kan MDS voorkomen, we spreken dan van secundaire MDS. Daarnaast is er bij kinderen een relatie met bepaalde aangeboren ziekten zoals bv. neurofibromatose type 1, Down syndroom, Noonan syndroom, trisomie 8(moza
ïk) en Fanconi anaemie.
Hoe stellen we de diagnose?
De belangrijkste onderzoeken voor een patient die verdacht wordt van de diagnose MDS bestaan uit beenmerg- en bloedonderzoek en het doen van botbiopten. Van bloed- en beenmerg worden druppels uitgestreken op microscoopglaasjes.
In de beenmerg en bloed uitstrijken wordt onder de microscoop gekeken naar de grootte van de losse cellen en naar zgn. dysplastische kenmerken. Tevens wordt geteld hoeveel blasten er in de uitstrijkjes aanwezig zijn. In de biopten van het bot kan gekeken worden naar hoe de cellen t.o.v. de botbalkjes liggen (intacte architectuur). Tevens zullen cellen die evt. niet opgezogen zijn met de beenmerg punctie doordat ze extra goed hechten aan het bot, wel in de botbiopten beoordeelbaar zijn. Ook kan gekeken worden naar verbindweefseling (fibrose) van het bot, hetgeen bij MDS kan voorkomen.
Een belangrijk deel van het BM-onderzoek bestaat uit het onderzoek naar chromosomale afwijkingen. Het blijkt dat ongeveer 50% van de MDS pati
ënten specifieke afwijkingen vertoond in een of meerdere chromosomen, uitsluitend in de bloedvormende cellen. We noemen dat een klonale afwijking.
Zijn er bijwerkingen en welke factoren hebben invloed op het succes van de behandeling?
Het succes van de behandeling van MDS hangt samen met de kans op complicaties van de ziekte zelf en m.n. van de beenmerg transplantatie fase. De laatste jaren is gebleken dat langdurige chemotherapie schema's voorafgaand aan stamceltransplantatie, de resultaten van de stamceltransplantatie nadelig kunnen beïnvloeden. Er wordt dan ook gestreefd naar een zo spoedig mogelijke verwijzing naar een transplantatie centrum.
Naar de printversie van deze pagina