Protocol Relapsed AML 2001/01Internationaal protocol voor diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten met refractaire of gerecidiveerde acute myeloide (niet-lymfatische) leukemie
Ziekte
Recidief en primair refractaire acute myeloide leukemie
Vallend onder ziektecommissieMyeloide Maligniteiten
SamenvattingDe kans op genezing van een recidief acute myeloide leukemie (AML) was relatief laag, gemiddeld zo'n 20%. Een recidief wil zeggen dat de ziekte ogenschijnlijk weg is geweest, maar helaas weer terug is gekomen. In geval van refractaire ziekte, waarbij nieuw vastgestelde AML na 2 kuren niet in remissie is, is die kans op genezing ook klein. Dit internationale behandelingsprotocol onderzoekt of de toevoeging van liposomaal daunorubicine (DaunoXome®) aan FLAG, een voor recidief AML min of meer standaard kuur, verbetering van de kans op genezing kan geven. Bovendien is de studie bedoelt om voor deze patientengroep een uniforme behandeling te adviseren, hetgeen op zichzelf vaak al de zorg verbetert. Tot slot is het doel om de prognostische betekenis van diverse factoren te bestuderen. De voorzitter van dit internationale protocol is overigens een Nederlander en tevens SKION bestuurslid (Gert-Jan Kaspers van het VU medisch centrum te Amsterdam). Een doel op zich is ook het wereldwijd uitvoeren van dit behandelingsprotocol, samen met meer dan 10 onderzoeksgroepen. Die samenwerking is nodig, want nieuw vastgestelde AML is bij kinderen en adolescenten al zeldzaam (in Nederland 20-25 nieuwe gevallen per jaar), en recidief AML is al helemaal zeldzaam, in Nederland gemiddeld 6 patienten per jaar. Initiele AML die refractair blijkt te zijn, komt in Nederland jaarlijks bij gemiddeld 1-2 kinderen voor. Daarom is internationale samenwerking noodzakelijk, om het succes van nieuwe behandelingen te kunnen onderzoeken. Een van de organisaties die een dergelijke samenwerking mogelijk maakt en stimuleert is de "International BFM Study Group", en deze studie is ook vanuit die organisatie opgezet.
In dit protocol wordt door loting in het Centraal Bureau van de SKION te Den Haag bepaald of deze patienten voor de eerste kuur alleen FLAG krijgen, of FLAG plus liposomaal daunorubicine. Indien de patient en/of ouders loting weigeren, dan is FLAG de standaard kuur. Liposomaal daunorubicine wordt net als de andere cytostatica via de bloedbaan toegediend, en is inmiddels al aan enkele honderden kinderen gegeven, zonder opvallende problemen. Na de eerste kuur schrijft het protocol voor alle kinderen een FLAG kuur voor. Na 2 kuren is het nodig dat de patient in zogenaamde complete remissie is. Dat wil zeggen dat er geen leukemie-cellen meer worden gezien in het beenmerg en bloed, en ook niet elders. Indien er onverhoopt geen sprake is van complete remissie, dan is behandeling volgens dit protocol niet zinvol, maar kunnen wel andere meer experimentele behandelingen worden overwogen. Zodra een patient wel in complete remissie is na de 2 kuren, komt hij/zij in aanmerking voor een allogene stamceltransplantatie. Daartoe zal onderzocht moeten worden of er een geschikte donor is, idealiter een zogenaamde HLA-identieke broer of zus of ander familielid, of een onverwante HLA-identieke donor. Tot aan het moment van de transplantatie geeft het protocol richtlijnen voor verdere chemotherapie.
Er is destijds berekend dat in totaal 360 patienten geincludeerd en gerandomiseerd en volledig evalueerbaar moeten zijn, om een eventuele gunstige bijdrage van liposomaal daunorubicine aan het effect van de behandeling te kunnen bewijzen. Momenteel zijn bijna 300 kinderen gerandomiseerd. Dat betekent dat deze studie nog tot begin 2008 zal worden voortgezet. Ondertussen wordt er al druk nagedacht over een nieuwe studie, want het kan en moet altijd nog beter!
DoelstellingUniforme behandeling van deze patiënten, kennis opdoen met betrekking tot prognostisch relevante gegevens, en verbetering van de behandeling door het toevoeging van liposomaal daunorubicine aan FLAG.
Inclusie criteria1. Kinderen en adolescenten <18 jaar bij het begin van de initiele chemotherapie voor de eerste diagnose AML, en <21 jaar bij het begin van deze behandeling
2. Primair refractaire AML
3. Eerste recidief AML
4. Patienten met een tweede of volgend recidief AML, eerder niet behandeld volgens dit specifieke protocol
5. Getekende schriftelijke "informed consent"
Exclusie criteria1. Symptomatische cardiale dysfunctie (NCI CTC graad 3 of 4) en/of een "Fractional Shortening" bij echocardiografie onder 29%
2. "Karnofsky performance status" van <40% (kinderen >=16 jaar) of een "Lanksy performance status" van <40% (kinderen < 16 jaar) voor start of chemotherapie
3. Enige andere orgaan dysfunctie (NCI CTC graad 4), die zal interferen met de toediening van de chemotherapie volgens dit protocol
4. Onmogelijkheid om voor enige andere reden dit behandelprotocol niet af te ronden
5. FAB type M3
Startdatum inclusieVoor Nederland: maart 2002Geplande einddatum inclusie
Einde 1e kwartaal 2008
ISRCTN nummerISRCTN94206677
ContactpersoonProf. dr G.J.L. Kaspers
Hoofd kinderoncologie-hematologie
VU medisch centrum
De Boelelaan 1117
1081 HV Amsterdam
T. 020 444 2420
F. 020 444 2420
E. a.heus@vumc.nl
Naar de printversie van deze pagina